Wonen

Stadsvernieuwing: mooie woningen en afgehaakte burgers

30 mei '26

‘Toen ik in het overleg met burgemeester Halsema en de directie van corporatie De Key vroeg waar de huuropbrengsten van de afgelopen zeven jaar waren, zag ik vooral wazige blikken’, aldus Eva Bollen van Red Amsterdam-Noord. ‘Zij snapten mijn vraag wel, maar konden mij ook niet uitleggen waarom er zeven jaar geen moer aan woningonderhoud gedaan was, waardoor verkrotting optrad.’ Het probleem in een notendop. In dit stuk deel ik wat ik de afgelopen tientallen jaren heb geleerd omtrent stadsvernieuwing. Wat zijn de structurele oorzaken van de problemen? Wat is een politieke oplossing? Hoe organiseren we ons en wat kunnen wij voor elkaar betekenen?

Wat er zoal misgaat in de relatie tussen gemeente en woningcorporaties aan de ene en huurders aan de andere kant? Wat niet zou het antwoord kunnen zijn. Plannen voor renovatie en sloop-nieuwbouw worden vaak pas aan huurders voorgelegd nadat die al zo goed als klaar zijn en mensen het verzoek krijgen om bij het kruisje te tekenen. Over de details mag men dan nog iets zeggen, om zo de schijn van inspraak hoog te houden. Bewoners worden door de grootstedelijke gemeentelijke- en corporatiebureaucratie vaak als potentiële lastpakken gezien en behandeld, integere en betrokken medewerkers niet te na gesproken.

Zoals Bollen in de inleiding aangeeft wordt in sommige wooncomplexen jarenlang geen onderhoud gepleegd. Huurders blijven met kleine en grote klachten zitten, waardoor sloop-nieuwbouw uiteindelijk een voor de hand liggende ‘oplossing’ wordt. Uit kostenoverwegingen wordt de uitvoering van het nieuwbouw- en renovatiewerk niet altijd toebedeeld aan aannemers die goed te boek staan.

Bewoners die in het kader van woningverbetering of sloop-nieuwbouw moeten vertrekken krijgen door de bank genomen onvoldoende ondersteuning bij het zoeken naar een tijdelijke of definitieve woning. Sociaal zwakke bewoners (‘huurders met een rugzakje’) worden soms geïntimideerd door corporaties die juridische procedures tegen hen aanspannen. Zelden krijgen huurders harde terugkeergaranties nadat zij hun sloopwoning gedwongen moeten verlaten. En het komt voor dat ouderen bij gedwongen verhuizingen als laatsten aan de beurt komen, waarbij de corporatie er niet voor terugdeinst om huurders die niet op tijd vertrekken voor de rechter te slepen en hen op te laten draaien voor het betalen van de proceskosten.

Voordat de eerste spade in de grond gaat, hebben corporaties wat betreft zeggenschap van de huurders maar één belangrijke formele horde te nemen: 70 procent van de bewoners dient akkoord te gaan met de plannen. Dat levert doorgaans niet al teveel problemen op omdat er van alles mis is met de kwaliteit van de verwaarloosde woningen die gerenoveerd of gesloopt gaan worden en veel huurders uitzien naar een beter huis.

Dat veel huurders die te maken hebben met renovatie of sloop overspannen verwachtingen hebben van de mogelijkheid om via hun stadsvernieuwingsurgentie een betere woning te krijgen, maakt het voor corporaties in veel gevallen makkelijk om de vereiste instemming voor hun plannen te krijgen. Zeker wanneer je huurders een enquête stuurt met de volgende twee opties: ‘Ik doe mee met het woningverbeteringsplan en ontvang een onkostenvergoeding van 250 euro’ of ‘Ik doe niet mee met het woningverbeteringsplan en ontvang geen 250 euro’. (corporatie De Key – Columbusplein) Voor dat bedrag gaat een corporatiedirecteur een avondje uit, terwijl dat voor een huurder tien dagen boodschappen is. En verder is de hoge huur na sloop-nieuwbouw voor een groeiende groep huurders niet op te brengen.

Wat ik hier schrijf is niet zozeer een samenvatting van artikelen uit kranten en tijdschriften maar komt voort uit mijn praktische ervaring in Amsterdam-West. De afgelopen tien jaar ben ik als actief SP’er in mijn wijk bij een stuk of vijf woningverbeteringsprojecten en sloop-nieuwbouw projecten betrokken (geweest): rond het Columbusplein, Johan Greive- en Piet Mondriaanstraat in Nieuw-West (beiden corporatie De Key), Erasmusgracht en de Jan van Galenstraat (beiden Eigen Haard) en Kolenkit Midden en –Noord (Rochdale en Eigen Haard).

Bij die projecten raakte ik betrokken doordat bange en boze bewoners en winkeliers bij mij of bij de SP aan de bel trokken. Standaard nadat de besluitvorming rond die projecten al rond was of de werkzaamheden al in volle gang waren. Telkens weer hoorde ik dezelfde klacht: ‘Ze luisteren niet naar ons’, ‘Voor hen zijn we nummers’, ‘Eerst laten ze de boel verkrotten waardoor woningen onder de schimmel komen te zitten en daarna zeggen ze dat sloop-nieuwbouw de enige oplossing is’, ‘Ze praten over gemengde buurten, maar in feite willen ze minder moslims en meer yuppen.’ ‘Laten ze mij en wat Canta-rijders maar een leuke woning in Amsterdam Zuid aanbieden als ze zo nodig wijken willen mengen’.

De problemen waar deze mensen tegenaan lopen komen voort uit het kapitalistisch systeem. Zo worden corporaties gedreven door de kapitalistische logica van waardevermeerdering van hun vastgoed. Die maakt dat ook woningen die prima op te knappen zijn gesloopt worden en vervangen worden door nieuwbouw. Binnen de sociale woningbouwsector leidt de samenwerking tussen gemeente en corporaties tot de nodige bureaucratie, die top-down opereert en gericht is op efficiency in plaats van de menselijke maat. En de huurders? Dat zijn ‘cliënten’ die meestal geen kant op kunnen.

Het hele stelsel van sociale volkshuisvesting is in verschillende stappen ontmanteld en verzelfstandigd in de jaren ‘90. Tussen 1994 en 2000 werden woningbouwverenigingen omgevormd tot corporaties. Eénmalig ontvingen die 60 miljard euro, waarmee toekomstige overheidsinvesteringen in de sociale woningbouw afgekocht werden. Vanuit de Tweede Kamer kreeg deze zogenaamde ‘bruteringsoperatie’ van de CDA’er Heerma brede politieke steun. Alleen de SP en GroenLinks keerden zich daartegen.

Het principe ‘woningen zijn om in te wonen’ is bij de vuilnisbak gezet en vervangen door de wet van vraag en aanbod. Die bevoordeelt speculanten en huiseigenaren ten koste van huurders en woningzoekenden. Wanneer je in Amsterdam geen woning hebt en niet het geld hebt om in de vrije sector iets te kopen of te huren, sta je zo’n 10 a 15 jaar op de wachtlijst voordat je voor een betaalbare woning in aanmerking komt. De woningnood is het gevolg van marktfalen in plaats van ‘voordringende vluchtelingen’.

Voor zover de landelijke overheid de markt ‘bijstuurt’, doet zij dat op een manier die beter uitpakt voor huizenbezitters en speculanten dan voor huurders. Zo heeft de vermaledijde ‘verhuurdersheffing’ (2013-2023) de hoogte van de huren fors opgedreven, waardoor inmiddels 1,5 miljoen huishoudens afhankelijk zijn van huursubsidie. Maar qua staatssteun zijn huizenbezitters een stuk beter af; het principe ‘hoe duurder je huis, hoe hoger je hypotheek, des te hoger je belastingkorting’ – dat de schatkist bijna 10 miljard euro per jaar kost – maakt dat bezitters van de duurste huizen het beste af zijn binnen het huidige stelsel.

Onze stad heeft al decennia lang een sociaalliberaal bestuur dat zich qua huisvestingsbeleid dient te bewegen binnen de kaders van de vrije markt die door de Nederlandse overheid en de EU zijn uitgezet. Doordat de woonlasten van zowel kopers als huurders in Amsterdam voor een belangrijk deel bepaald worden door de grondprijs – lees grondspeculanten – zijn die voor een groeiende groep inwoners van Amsterdam niet of nauwelijks op te brengen.

Het stadsbestuur kan nog wel bepalen waar en voor welke inkomensgroepen er gebouwd wordt maar kan bijvoorbeeld niet of nauwelijks sturen op de grondprijs en de hoogte van de huren. Omdat het hierbij om enorme bedragen gaat zou dat al snel tot onverantwoorde tekorten op de gemeentelijke begroting leiden. Maar dit betekent wel dat het voor hardwerkende mensen met een bescheiden inkomen steeds moeilijker wordt om een betaalbaar huis te vinden.

Zo komen we op de woonvisie van de gemeente Amsterdam voor de periode 2024-2028. De Amsterdamse corporaties gaan in die jaren 2,5 miljard euro in de bestaande woningvoorraad investeren en 2.700 sociale huurwoningen per jaar bouwen. Maar ook gaan de corporaties iets meer dan 3 duizend woningen slopen, 3,5 duizend sociale huurwoningen verkopen en hevelen zij 1.200 woningen over naar de vrije sector.

Over wat, waar en wanneer er gesloopt gaat worden heerst grote onduidelijkheid. Last but not least blijkt het slopen van woningen ook nog eens enorm milieuvervuilend te zijn, juist waar het om stikstof gaat. In praktijk loopt het aantal jaarlijks bijgebouwde sociale woningen in Amsterdam eerder in de honderden dan in de duizenden. Slecht nieuws dus voor de duizenden mensen die staan te springen om een betaalbare huurwoning.

In Amsterdam bezitten zo’n 10 woningcorporaties iets minder dan de helft van de bijna 400 duizend woningen die de stad telt, met een totale waarde van 80 tot 90 miljard euro. Het bestuur van de stad zet zich samen met deze corporaties in voor het verbeteren van de woningkwaliteit van het bestaande contingent en het bouwen van nieuwe woningen. Hoewel de corporaties geen winst mogen maken en – los van de megasalarissen van hun directies en raden van bestuur – al hun inkomsten in hun vastgoed dienen te investeren, laten zij zich conform de wetten van het kapitalisme leiden door ‘het optimaliseren van de waarde van hun vastgoedbezit’.

Wat goed is voor de corporaties, is niet per se goed voor de huurders. Het verkopen van corporatiewoningen in gewilde buurten, het slopen van woningen die qua technische staat nog prima bewoonbaar zijn en het renoveren van appartementscomplexen kan vanuit rendementsoverwegingen een gouden greep zijn, maar pakt voor huurders dramatisch uit. Op grond van de schreeuwende behoefte aan betaalbare woningen kwam voormalig SP Kamerlid en voormalig directeur van de Woonbond Paulus Jansen al in 2008 met de ‘SP-slooplat’. Die stelt onder andere dat sloop van sociale woningen alleen acceptabel is wanneer woningcorporaties daar geen huurders voor vinden en de slopen woningen bouwtechnisch aantoonbaar van slechte kwaliteit zijn. Helaas gaan politieke partijen daar niet in mee en lijkt er geen eind te komen aan het slopen van woningen die technisch gezien behouden kunnen worden wanneer zij normaal onderhouden of gerenoveerd worden.

Vroeger was niet alles beter, maar sommige dingen wel. Binnen woningbouwverenigingen waren de huurders de baas en tal van rechten van huurders waren wettelijk vastgelegd. In nogal wat buurten was er sprake van een behoorlijke cohesie omdat de mannen in de scheeps- en machinebouw, de haven of de bouw werkten en vrouwen het huishouden, de kinderen en de was deden. ‘Das war einmal’, maar nu niet meer. De sociale samenhang heeft in de meeste Amsterdamse volksbuurten een gevoelige knauw gekregen. Qua bevolkingssamenstelling is er sprake van een enorme diversiteit: mensen die hier geboren zijn en mensen van buiten, mensen die wel en geen Nederlands spreken, mensen die hier legaal en illegaal verblijven, mensen die al tien generaties in sociaal-economisch opzicht tot de onderkant van Nederland behoren en binnen- en buitenlandse studenten die het geen lor interesseert wat er in hun buurt gaande is. Daarnaast tref je in steeds meer wooncomplexen een mix van huurders en kopers aan, die lang niet altijd dezelfde belangen hebben. Dat corporaties op last van de gemeente steeds vaker mensen met psychische problemen in achterstandsbuurten plaatsen draagt soms ook niet bij aan het woonplezier van de huurders.

Maar niet alle ‘achterstandsbuurten’ zijn ten prooi gevallen aan versplintering en individualisering. In sommige buurten in Nieuw-West en Bos en Lommer waar arbeidsmigranten van vooral Marokkaanse en Turkse origine in de meerderheid zijn, vangen bewoners elkaars kinderen op, brengen mensen elkaar eten wanneer hun buren blut zijn en krijgen ouderen steun van buren of van de moskee. Toen actievoerder John Schoonhoven (Kolenkit-Midden) vorige maand overleed – volgens zijn buren omdat hij de gedwongen verhuizing mentaal en fysiek niet aan kon – waren er bij zijn begrafenis 20 van hen aanwezig. Op een enkele SP’er na, allemaal medebewoners met een migratieachtergrond.

Onder de mensen die terugvechten omdat zij onder de voet gelopen worden door de gemeente en de woningcorporaties kom je opvallend veel vrouwen tegen – vaak dochters van eerste generatie arbeidsmigranten – die mondig zijn en het niet pikken hoe de corporaties met hen of hun ouders omgaan. Ze namen contact met ons op nadat het emmertje met klachten voor hen was overgelopen.

Op die manier heb ik Sally, Diana, Sandra, Khalid, Soumaya, Ghizlaine, Naima, Nadia, Zainab en Ahmed leren kennen. Zij hebben met elkaar gemeen dat zij de kat de bel aan hebben gebonden. Vrouwen en enkele mannen die op zijn gestaan en niet langer accepteren dat zij als nummer behandeld worden. Zij tonen lef, investeren tijd en energie in het bundelen van de onvrede en worden soms gek van alle mensen die hen aanklampen wanneer zij de deur uitgaan om een boodschap aan de andere kant van de straat te doen. Soms slapen ze slecht door de shit waarin zij zijn beland. Af en toe boeken zij succes wanneer de gemeente of corporatie hun klachten serieus neemt. Andere keren haalt hun inzet weinig uit en stapelen frustraties en boosheid zich op, met afgehaakte burgers als ‘eindproduct’.

Terugvechten: hoe doen we dat samen met actieve bewoners? De eerste stap bestaat uit het doen van huisbezoeken. Deur-aan-deur aanbellen en huurders vragen om hun ervaringen met ons te delen. Vervolgens maak je een zwartboek(je), organiseer je een buurtbijeenkomst om de uitkomsten daarvan met elkaar te delen en bewoners in staat te stellen om hun ervaringen met medebewoners te delen. Tegelijkertijd maak je duidelijk dat er alleen iets gaat veranderen wanneer mensen zich aaneen sluiten en in actie komen.

Het organiseren en leiden van dergelijke bijeenkomsten geeft mij doorgaans grote voldoening. Net als het compliment ‘Jij zegt precies wat ik denk maar waar ik soms de woorden niet voor heb’. Van de ene kant omdat mensen die iets te zeggen hebben het woord en gehoor krijgen, het afremmen van – vooral mannen – die door emoties overmand de bijeenkomst dreigen te verstoren en het identificeren van huurders die zich goed weten uit te drukken en bereid zijn namens de bewoners de confrontatie aan te gaan met de gemeente en corporatie. Dat laatste is cruciaal omdat die sleutelfiguren bepalend zijn voor de vraag of je de bewoners meekrijgt of dat de onvrede blijft steken in een combinatie van geklaag en berusting.

Vrij standaard levert een eerste gesprek van bewoners – ondersteund door de SP – met gemeente en corporatie onvoldoende op. Dan wordt het tijd om de druk op te voeren. Twee factoren zijn daarbij bepalend, de actiebereidheid van de mensen en de betrokkenheid van de media. Lukt het om groepen bewoners in beweging te krijgen en bijvoorbeeld een verrassingsbezoek aan de corporatie te brengen? Onaangekondigd met een groep bewoners het kantoor van de corporatie binnen lopen, met een spandoek, protestborden, toeters, bellen en kinderen, actieve bewoners het woord laten doen en eisen dat iemand van de directie de huurders te woord staat, blijkt goed te werken.

Bij wijze van tegenzet proberen corporatiedirecteuren opstandige bewoners en actieve SP’ers uit elkaar te spelen. Zowel bij De Key als Rochdale heb ik meegemaakt dat directieleden vervolgens de deksel op hun neus kregen door actieve bewoners die aangaven dat niet de directeur maar zijzelf bepalen wie hen bijstaat in gesprekken met de corporatie. Een ander effectief middel dat bewoners ter beschikking staat, is het mobiliseren van de media. Corporaties zijn niet blij met negatieve publiciteit en wanneer 80 procent van de huurders een affiche ‘De Key knapt op, bewoners knappen af’ voor hun raam hangen. Wanneer dan ook Het Parool, NRC, AT5 en Hart van Nederland aandacht aan hun problemen besteden, kom je als bewonersgroep Keyhard in een situatie waarin je resultaten kunt boeken. Daardoor lukte het bewoners van het Columbusplein bijvoorbeeld om 1.000 euro onkosten voor het ongemak tijdens de renovatie te krijgen in plaats van de toegezegde 250 euro.

Vijfenveertig jaar geleden was ik buurtopbouwwerker vanuit buurthuis De Meerpaal en na tientallen jaren met andere thema’s bezig te zijn geweest ben ik de laatste tien jaar opnieuw betrokken bij buurtacties in Amsterdam. Hoewel actie voeren geen hobby is want het kost veel inzet en tijd, zet ik mij nog steeds met plezier in voor huurders die in de knel komen en een beroep op mij doen. Want voor een socialist is het mooi om te zien hoe mensen die klein worden gehouden, zich daar bewust van worden, in beweging komen en van dossiernummer uitgroeien tot mensen met een stem. Electoraal levert het allemaal weinig op. ‘Zolang jullie niet meegaan in de hetze tegen vluchtelingen, word je nooit een grote partij’, kreeg ik een paar weken geleden te horen van één van de vrouwen met wie ik het afgelopen jaar actief was in de Bos en Lommer-protesten.

Leuk stukje maar is het nu nodig om de Amsterdamse woningcorporaties op deze manier te dissen, vraagt u zich misschien af. Geen gekke gedachte omdat iedereen met kennis van de woningproblematiek in Amsterdam weet dat je beter met corporaties dan met particuliere huisbazen van doen kunt hebben. Dus nee, dit is geen pleidooi om de corporaties op te doeken maar om van corporaties weer woningbouwverenigingen te maken waarin huurders de dienst uitmaken. En om een gemeentelijk woningbouwbedrijf op te zetten dat sociale woningen gaat bouwen, waarbij inspraak en rechten van huurders niet afgedwongen hoeven te worden maar uitgangspunt zijn. Hoewel we daarmee nog geen eind maken aan de marktwerking die wonen in een stad als Amsterdam tot een luxe maakt, bestrijd je daarmee wel de bureaucratie die onvoldoende oog heeft voor wat levende mensen ervaren. Want ‘de directieleden en de leden van de Raden van Toezicht zijn allemaal grootverdieners die nog nooit in een huurhuis gewoond hebben. Wij zijn omzetgetallen voor die mensen, die geen enkele affiniteit met ons hebben. Alsof ze van een andere planeet komen’, aldus Eva Bollen waarmee dit artikel begon.

Overdreven? Niet een keer heb ik een reactie van een lid van de Raad van Toezicht ontvangen op brieven over het falend optreden van hun corporatiedirectie. Veertig procent van de corporaties bleek tijdens de financiële crisis van 2008-2009 betrokken te zijn geweest bij derivatenhandel en meer dan 100 bestuurders en leden van de raden van toezicht van woningcorporaties bezit 3 tot 5 woningen. De waarde van het woningbezit optimaliseren is hun werk, het binnen harken van huur op hun eigen woningbezit hun hobby. Voor zover ik weet bestaat er voor de beroepsgroep ‘corporatiedirecteuren’ geen beroepscode die hun graaizucht limiteert. (de goeden niet te na gesproken)

Hans van Heijningen, mei 2026

Deze website gebruikt cookies!

Deze website maakt gebruik van cookies om uw ervaring te verbeteren en om ons te helpen onze diensten te optimaliseren. Voor meer informatie over hoe wij cookies gebruiken, lees onze cookieverklaring.